Het gesloten hek lijkt ouder dan het kasteel erachter. De droeve magere man kijkt naar de witte kiezels op de grond, dan naar mijn schoenen en vraagt me aarzelend of ik rook. Ik had graag ja gezegd maar ik zeg nee. ‘Ik ook niet’, zegt hij zacht, ‘dan hebben we dat gemeen.’ Hij keert zich om, draait de armen op zijn rug en wandelt licht gebogen langzaam weg. 

Dat is het verschil tussen eenzaam en alleen zijn. Alleen zijn is gemakkelijk. Je hebt er geen woorden voor nodig, geen regeltjes, geen mensen. Gewoon een vel waar je je goed in voelt, een gezond zelfbewustzijn en een open mentaliteit. Dan merk je hoe het landschap zich blijft uitvinden, elke vijftig kilometer opnieuw. Slapende gehuchten met kleine houten kerkjes worden wat verderop wakker en van steen gemaakt. Gouden velden vol tarwe kleuren enkele heuvels zuidwaarts helemaal groen en er groeien plots wijngaarden op. En overal kwetteren vogeltjes je toe, wijzen vlinders je de weg en springen grappige sprinkhanen tegen je benen op.

Eenzaamheid is anders. Eenzaam is de vrouw die naast mij komt zitten op de bank en mij drie, vier keer schijnbaar toevallig aantikt. Tot ik eindelijk opkijk en ze haar verhaal kwijt kan. Ze heeft een zoon van mijn leeftijd, zegt ze, die ze niet meer ziet. Ze schat me dertig. Hij zou het kapsalon overnemen van zijn vader die het thuis was afgebold. Maar de enige zoon wilde geen kapper worden, hij wilde naar Amerika. Op de achterkant van de poster van New York die boven zijn bed hing, schreef hij haar zijn afscheidsbrief.

Eenzaam is de vieze grijze man met vette paardenstaart en t-shirt van Motörhead die tijdens het dorpsfeest plastieken bekers opraapt en er de laatste restjes bier uit leegdrinkt. De moeizaam stappende vrouw die na de hittegolf weer buiten durft en in het kerkhof water geeft aan de verdorde bloemen op het graf van haar man. De bozige bejaarde met schrapende trolley die de deur van haar pastelroze geschilderde sociale woning uitstapt, iets verder aan een open raam stopt om daar heel kwaad van alles in te roepen, dan rechtsomkeer maakt en haar woning weer binnengaat.

Het huis van Mevrouw Zolder

Maar niet iedereen is eenzaam. Marie is op papier al een eindje in de zeventig, in haar hoofd amper vijftig. Twintig jaar lang was ze burgemeester van Frasne-le-Château. Haar drukke leven, brede interesses en uitgesproken eigengereidheid kostten haar haar huwelijk. En gaven haar iets veel waardevollers terug: haar vrijheid. 

Ze heet voluit Madame Grenier maar ook de rest van haar huis is spectaculair. Want eigenlijk woont ze in een museum. Eerst vertimmerde ze de structuur van haar huis uit 1850 om ook de stallen en opslagplaats bewoonbaar te maken. De herwonnen ruimte propte ze vervolgens vol met derdehandse brocante. In de week speurt ze overal naar schatten, koopt ze versleten kastjes en krijgt ze van iedereen verwaarloosde voorwerpen. Op zondag geeft ze alles een stevige opknapbeurt en blaast ze opgewekt elk individueel object nieuw leven in. 

Met die tientallen, honderden objecten herschiep ze elke kubieke meter van haar huis tot een unieke kunstinstallatie. Niet eens zonder smaak. Overal staan op zorgvuldig gebeitste eikenhouten planken ontelbaar veel potjes, kruiken en flessen, alles rigoureus geschikt op grootte en op kleur. Bokalen voor spiegels, kaders naast affiches, borden achter horloges. Houten poppen, achttiende-eeuwse kussens, rieten manden, gedroogde planten. De zorgvuldig uitgekozen beeldjes verwisselt ze ‘s avonds regelmatig van plaats zodat die niet altijd op dezelfde strohoeden of vazen moeten kijken. 

Op bezoek bij Frère Jacques

De Franciscanen van Besançon bieden voor een bescheiden donatie onderdak aan pelgrims. Je krijgt een volledig gebouw ter beschikking met twee ruime slaapkamers, een keuken en een badkamer met warme douche. Toch zijn er maar weinig pelgrims die er overnachten. Misschien door de duizendkoppige kolonie mieren die de keuken heeft ingepalmd. Ze spelen verstoppertje in de kasten, pootjebaden in de waterkoker en houden plechtige communiefeesten in elke uithoek van het vertrek. 

Of misschien vertellen de residenten het elkaar door, van het klamme bedovertrek vol opgedroogde menselijke sappen, van de lakens die de Heilige Bloedprocessie hebben meegemaakt. Van de lekkende koelkast waar vliegjes uit zoemen wanneer je die opent om de stinkende zure melk leeg te kieperen. Van de opgehangen ovenwant met een korst van tien jaar gastronomische archeologie. 

Nee, het is vooral omdat de omgebouwde schuur zich bevindt schuin tegenover de ermitage, en de ermitage bereik je pas nadat je vier enorm steile kilometers tegen de heuvel bent opgeklommen. Dat is een pak hoger dan de citadel die boven de stad uittorent. Als ik op voorhand een slaapplaats vastleg, check ik altijd hoe ver ik om moet. Voortaan kijk ik ook de hoogtemeters na.

Een ander type kluizenaar

Een dag stappen later overnacht ik bij een kluizenaar van een heel ander type. Laurent lijkt een beetje op Benoît Poelvoorde en hij verontschuldigt zich dat hij alleen maar Heineken heeft, we vinden elkaar onmiddellijk sympathiek. De lap grond die hij bewoont met zijn Zweedse vriendin doopte hij om tot een ruwe anarchistische oase. Ver weg van het wat te gladde pittoreske Ornans van op de postkaartjes. 

Centraal op de houten terrastafel staat een gigantische pot tabak. Die wordt nauwlettend in het oog gehouden door een opgehangen everzwijnenkop met stevige pijp in zijn snuit. De vrijplaats heet niet zomaar Au Sanglier Qui Fume. Voor de tabak en de blaadjes is het koppel afhankelijk van de winkel. Voor de rest streven ze volledige onafhankelijkheid na. Daarvoor zorgen de zonnepanelen en de regentonnen. De buitendouche is op regenwater, na een toiletbeurt kap je er een grote schep zagemeel op. Er is geen elektriciteit in de chalet, je knipt het licht uit door de store voor het raampje neer te laten tegen het maanlicht.

Kaas met dure gaten

Ik schrijf nog trager dan ik stap en zelfs het stappen gaat niet snel. Toch hebben mijn eeltige voeten vandaag na bijna anderhalve maand het winterstadje Pontarlier bereikt, in hartje zomer. Dit is mijn allerlaatste halte in la douce France. Morgen trek ik de grens over en proef ik de Zwitserse gierigheid aan hun dure gaten in de kaas. Ik hoop dat ik het land ook binnen mag zonder nieuwe bankrekening te openen, mijn zwart geld zit nog altijd goed op de Kaaiman-eilanden.

In Pontarlier bezoek ik het gemeentelijke museum. Niet voor hun povere verzameling porselein of kinderlijk geschilderde lokale sneeuwlandschappen. Ook niet voor de tijdelijke expo over twee lelijk geportretteerde achttiende-eeuwse generaals die grappige hoofddeksels droegen die niet eens een banale kogel konden tegenhouden. Wel voor de geschiedenis van de absint, de prachtige oude affiches die de wonderdrank eerst aanprezen en iets later diaboliseerden. De drank is nu weer legaal dus drink ik achteraf een glaasje volgens de regels van de kunst.

En toost ik op Frankrijk. Voor al die fijne ervaringen en gastvrijheid. Voor ruim 800 wondermooie kilometers vol verrassingen. Voor een heerlijk intense maand die ik hier heb mogen beleven. Voor liberté, égalité et plaisir aux pieds. Ma chère France, je vous salue.

Op naar het land van de edelweiss, de Apfelstrudel en de kaasfondue!