Het is allemaal zo normaal dat ik het amper nog besef. Hoe gemakkelijk en goed ik het wel heb. Een vaste job, een knus warm huis, wat centen op de bank. Een goede gezondheid, vrienden dichtbij, hobby’s die ik kan uitoefenen waar en wanneer ik maar wil. 

Misschien is het wel te makkelijk en te goed. Klik ik de schakelaar, gaat het licht aan, uit mijn kraan komt stromend water. Mijn fiets kent de kortste weg naar de supermarkt. Daar vis ik blindelings een flesje Orval uit de rayon. Venkel ligt op het tweede schap links, prinsessenbonen altijd in het midden. Altijd lacht de kassierster mij toe, altijd wens ik haar daarom een prettige avond. 

Ik ken de putten in mijn buurt, de gekneusde straatborden langs de weg. Waar soms de politie zich verstopt en waar je gewoon door het rood kunt. Wanneer de vuilnisman langs rijdt en hoeveel vertraging de postbode oploopt. Ik heb al twintig jaar dezelfde tandpasta, vijfentwintig jaar dezelfde scheerzeep en ik knoop mijn veters altijd op dezelfde manier. 

Even uit evenwicht

Een goed geoliede machine is efficiënt en productief, maar ook voorspelbaar en gewoon doodsaai. Geef mij maar haperingen, verstoorde circuits en wispelturig gedrag. Ik heb prikkels nodig, gezonde weerstand, lichte rebellie. Een comfortzone verliest al zijn charme wanneer comfort gewoonte wordt. Verrassingen kleuren het leven. Toeval, plotse uitdagingen, breekbare kwetsbaarheid. Evenveel kans op falen dan op succes. Al veertig jaar lang ben ik op zoek naar de juiste balans. 

Tussen gevoel en verstand, mijn lichte en mijn donkere kantjes, tijd voor mezelf en tijd voor anderen. Tussen vrolijk zijn en treuren, onzekerheid en stabiliteit, tussen kwaadheid en relativering. Zo schuifel ik voorzichtig met kleine pasjes op de evenwichtsbalk, kom altijd wel tot een punt waar alles uiteindelijk in balans is. En dan begin ik er als een gek op te dansen en springen en doen om mijn evenwicht te verliezen en te vallen en mijn zoektocht te herbeginnen, helemaal opnieuw.

Zoeken is zoveel interessanter dan vinden. Wie vindt, heeft slecht gezocht, sprak Socrates en die wijsheid heeft hem een lange baard bezorgd. Mensen met lange baarden hebben altijd gelijk.

Schuifelen, springen, vallen en lachend weer opstaan om opnieuw te schuifelen. Zo leef ik mijn autobiografie. Het verhaal van een figuur die ik ken, op een plaats die ik ken, in een tijd die ik ken. En ook al ken ik eigenlijk helemaal niets, ik ken soms alles al. Ik ken de hoofdstukken, de alinea’s, de woorden. De grammatica, het lettertype en de witregels. De intriges, het script, de sarcastische trekjes van de auteur. En dan gaat het snel. Want voor je het weet, vliegen de hoofdstukken voorbij, vergeet je ze te leven en bevind je je op een dood moment plots aan het einde van het boek. 

Maar niet met mij. Ik stap uit mijn verhaal. Plaats een bladwijzer over deze pagina, klap het boek dicht, schuif het opzij hoog op het rek en begin er gewoon een nieuw.  

Wakker op een vreemde plek 

Voor sommigen is het een nachtmerrie, voor mij is het een droom. Wakker worden op een plek die ik niet ken, langs een kronkelend pad dat ik nog moet ontdekken. Of er bosviooltjes langs groeien of woekerende brandnetels, verwelkomd door kwetterende vogeltjes of bespied door wilde dieren. Misschien ligt er op het einde een idyllisch bergmeer, of anders een gesloten metalen hek. Plukt een klein oud vrouwtje voorovergebogen de allermooiste veldbloemen uit de wei, of zit een vloekende boze boer mij achterna, dreigend zwaaiend met zijn riek. 

Komen de vreemde plekken niet spontaan op je af, moet je er zelf naartoe. Dus trek ik op reis. Begin juli pak ik mijn rugzak en tent en trek de voordeur achter me dicht. Om te beginnen stappen. Zuidwaarts, gewapend met pen en papier – nu ja, Apple Pencil en iPad Pro -, een compacte camera en vooral een nieuwsgierige open blik. Op de traagst mogelijke manier, zuinig in dagelijkse afstand, met de benenwagen. Een blein is altijd een beetje reizen.

Van Hoboken naar Mechelen, dan Leuven, Namen en de Ardennen door. De grens over, bezoekje aan Reims en aan de kelders van de champagnestreek. Dwars door Frankrijk, langs kloosters, kroegen en kastelen. Steek ik helemaal de Alpen over, adem gezonde berglucht in en neem een dagje rust met zicht op het meer van Genève. 

Na een avontuurlijk stuk Zwitserland zeg ik enthousiast buongiorno tegen Italië, en trek ik van het ene pittoreske dorpje naar het andere, altijd nieuwe ontmoetingen en pastaschotels tegemoet. Ook al spreek ik geen letter Italiaans. Wanneer ik zo’n 2.200 kilometers (omwegen en dwaalroutes niet meegerekend) op de teller heb, kan halfweg oktober mijn einddoel niet veraf meer zijn. Alle wegen leiden naar Rome, ik neem genoegen met maar eentje. 

Het is niet de bestemming, maar de weg ernaartoe. Drie maanden stappen op mijn eentje, drie maanden tijd om mijn gewoonten af te leren, bij te stellen en er nieuwe bij te kweken. Een nieuw verhaal te beginnen, confrontaties op te zoeken. Fysiek en mentaal, sociaal en financieel. En altijd blijven stappen. Langs weidse bloemenvelden, diepe bossen en door woeste bergen, uitgedaagd door brandende zon, felle regen of krachtige wind. Alleen met mezelf, mijn karakter en impulsiviteit, honderd dagen vol verrassingen.

Via Francigena

Het had mijn naamgenoot kunnen zijn maar zijn ouders doopten hem Siegeric. Siegeric was een Engelse geestelijke die een vroom leven leidde en in 990 van zijn parochie in Canterbury naar het Vaticaan stapte. Daar werd hij door de paus tot aartsbisschop gewijd en stapte hij doodleuk met een gouden kroontje terug naar huis. In zijn middeleeuwse Moleskine hield hij zorgvuldig zijn reisetappes bij.   

Zijn weg naar Rome werd later een mythische route, zoals de pelgrimsroute naar Compostela. Ook wel omdat heel wat andere belangrijke kerkelijke en wereldlijke leiders later in zijn voetsporen traden. Zelfs het gewone volk dat enkele zonden moest aftappen of afstappen. Zo kreeg de route veel namen. De Via Romea, Lombard Way, Iter Francorum of Frankische Route blijft nu nog altijd het bekendste als de Via Francigena.

Siegeric was niet de eerste pionier. De geschiedenisboekjes reppen ook over St. Willibrord, bisschop van Trajectum (658-739). Die had de microbe nog steviger te pakken en reisde zelfs twee keer helemaal op en neer naar Rome. Misschien had hij wat meer op zijn kerfstok, daarover blijft de geschiedenis discreet. Ook St. Bonifatius ging op sportieve citytrip naar de paus en Karel de Grote liet er zich na zijn Europese wandeling in 800 tot keizer kronen.

Mijn plannen zijn minder vroom, al zoek ik stiekem een reden voor een audiëntie met de paus. Daar heb ik nog even de tijd voor, begin bij het begin. Mijn eerste twee weken voeren mij via rood-witte GR-paadjes naar Reims. Daar knoop ik aan met de traditie, en stap ik de volgende tweeduizend kilometer langs de historische Via Francigena. 

Mijn hart kriebelt, mijn voeten jeuken, mijn hoofd verklaart me nog even knettergek. Ik leef. Ik scherp het puntje van mijn potlood, stapel leestekens op elkaar. Verzamel woorden in mijn tas, om ze genereus uit te strooien over de wegeltjes en de paden. Die samen zinnen vormen, sporen, metaforen, logisch geordende alinea’s.

In Rome op een terras aan het Colosseum lees ik bij een espresso het eerste hoofdstuk van mijn nieuwe verhaal.