Je hebt geluk, glundert Laurent, ik heb maar twee flessen wijn in huis. Een goede en een slechte en ik heb geen zin in de slechte. Met een brede glimlach klapt hij de goede wijn op tafel. Een flinke magnum van anderhalve liter. ‘Een Belg drinkt toch ook wat wijn, mag ik hopen?’

Hij proeft voorzichtig voor, doet een huilende wolf na en schenkt de glazen presidentieel vol. Timing is alles, tipt de vinoloog, een voortreffelijke Bordeaux laat je jaren in je kelder en drink je pas op haar hoogtepunt. Liefst niet te vroeg, de narijping in de fles moet volledig zijn afgerond. En vooral niet te laat, anders wordt de wijn zuur en ondrinkbaar. De fles is nog geen drie jaar oud, Laurent heeft geen kelder, ik klink enthousiast mee. 

Ribeira del Duero en Frascati di Roma

In vino veritas. Net als wijn heeft ook een pelgrimsroute haar vervaldatum. Compostela is prachtig, maar al dertig jaar over haar hoogtepunt heen. Elke dag schuifelen zo’n duizend rugzakken naar de populairste kathedraal van het zuiden. Vorig jaar moest de arme padre maar liefst 330.000 persoonlijke oorkondes uitschrijven. Een beetje slimme Spanjaard melkt de route ook commercieel uit: overal vind je herbergen voor pelgrims, kruideniers voor pelgrims en restaurants voor pelgrims. IJsjes voor pelgrims, gekoelde pintjes voor pelgrims, zelfs Afrikaanse souvenirs voor pelgrims.

De Via Francigena is van hetzelfde jaar maar smaakt heel anders. Heeft de Ribeiro del Duero uit Santiago al een zurige afdronk, de Frascati di Roma is een piepjonge wijn die nog naar zijn hoogtepunt moet rijpen. Juist dat maakt deze route zo charmant: er wordt nog volop gefermenteerd. Mondige bejaarden in Franse gehuchten verenigen zich in regionale comités en voeren elk jaar actie langs hun stukje overgroeide Romeinse weg opdat het officiële tracé voortaan door hun gemeente loopt. De dappersten kloppen een scheef bordje met ‘Via Francigena – Chemin Historique’ naast het plakkaat van de bebouwde kom. 

De officiële app, de rood-witte strepen in Frankrijk en gele pijlen in Zwitserland houden je op het tracé. Maar wil je zonder honger je slaapzak in, stippel je best regelmatig een lus uit via een bakker of kruidenier. Die dan net gesloten blijkt, zodat het naburige oudje dat je achter zijn ouderwets bloemengordijn gadesloeg, zijn lage deur uit strompelt en je een appel of een stuk kaas geeft. Op de Francigena trek je je plan en als dat soms moeilijk is, trekt er altijd wel iemand mee. De tocht is lekker impulsief, je leeft van dag tot dag en ziet wel onder welk dak of in welke wei je ‘s avonds terechtkomt. 

Locatietheater

Of in welke camping. Gemiddeld één nacht op drie poot ik mijn zeilen kijkhut neer in een beschermd reservaat. Om daar ongegeneerd het menselijke theater gade te slaan. Nog voor het fluwelen doek openzwaait, komt hij de scène al op gedrenteld. De mens. Halfnaakt met veel borsthaar, getooid in zwart boxershort en goedkope teenslippers, een strandhanddoek rust op zijn schouder. Hij improviseert fluitend een onbeduidend wijsje wanneer hij op het met houtsnippers aangelegde kronkelpad luidruchtig één voor één alle tentjes passeert. 

Altijd kraait wel ergens een haan, in het sanitair krijgt zijn eigen vroege vogel het hoogste woord. Ritmisch klateren krachtige stralen tegen het gebarsten porselein. Daarna steekt de protagonist een sigaret op en sloft vijf passen naar het dichtstbij gelegen douchehok waar hij zijn peuk door de goot spoelt. Wanneer het warme water stroomt, verkent hij uitvoerig de akoestische reikwijdte van al zijn lichaamsholten. Hij rochelt en reutelt, blaast en gorgelt, snottert en hoest. Schraapt en spuugt, knettert en schalt, wat is het heerlijk om koning van de schepping te zijn.

De regie overdag is vaak voorspelbaar. Meestal verpoost de vrouw, niet zelden van respectabele leeftijd, in haar ligstoel om haar achterstallige society magazines bij te werken. In een actiever moment lost ze legpuzzels op onder de shelter. Vier keer per dag wrijft ze met een schotelvod de plastieken opklaptafel proper terwijl haar man uitvoerig de trekhaak inspecteert. Enthousiast worden sporten beoefend die in eigen land nooit worden uitgeprobeerd. Petanque natuurlijk, met een lauwe Pastis want ijsklontjes hebben ze niet in de caravan. Badminton waarbij enthousiast wordt gekraaid telkens een raket toevallig het pluimpje raakt. En schaken met grote stukken op een aangelegd speelveld waarbij ze de regels niet kennen dus dammen ze maar.

Tragedie is er pas ‘s avonds. Wanneer huilende kleuters van de speeltuin moeten geschraapt, de onhandige dochter haar bord spaghetti laat vallen en er van vrouwlief geen nieuwe fles wijn op tafel mag. Wanneer alcoholisch geïnspireerde filosofische gesprekken ontaarden tot vlammende burenruzies en de slechtst bespraakte er met zijn SUV vandoor raast. Pas als het slapenstijd is, zet de Duitse figurant een opgenomen Duitse komedie op en proest hij het telkens uit op aangeven van de lachband. Als ook de allerlaatste lichten van de campers uitgaan, opent de Filipijnse familie, centraal op de camping, het verjaardagsfeest van hun kleine. Als verjaardagscadeau krijgt de tienjarige zoete taart en luide iPad-muziek en ritmisch handgeklap maar eigenlijk wilt hij gewoon wat ook de rest van de camping wil. Slapen.

Ondertussen in Zwitserland

Al een dikke week lang tel ik meer vlaggen dan inwoners in de dorpen van rösti en gatenkaas. De Fransen mogen nog zo chauvinistisch zijn, als het op vendelzwaaien aankomt reiken ze nog niet aan de alpenknieën van hun Zwitserse buren. De nationale vlag wappert feestelijk in het centrum, op de hoek van elke straat, twee aan elk standbeeld en drie voor het bankkantoor. Maar ook aan een verlaten stal in een vergeten wei, aan een ingestorte chalet in het midden van het bos en aan een onmogelijk te bereiken stuk rots. 

Trek je in Frankrijk gezwind over dorp en land, in Zwitserland ga je kopje onder. Daar zijn het de natuurelementen die het leven overheersen. De riviertjes zijn er wild, de wouden ruig, de bergen oppermachtig. Als het regent, druppelt het niet poëtisch maar stormt het heel de nacht. Breekt de zon daarna de wolken weer open, schroeit die meteen rode plekken in je huid. Als je even stil zit, komen de herten die je eerst bang aankijken, daarna doen of je niet bestaat en dan sierlijk verder paraderen. Huppelen eekhoorns in het rond en vliegen spechten af en aan. In Zwitserland regeert de natuur, de mens is maar bijkomstig.

Al is die bijkomstigheid wel bijzonder smaakvol. Dan heb ik het niet alleen over het mooie meisje van het museum van fototoestellen in Vevey, met haar twinkelende lach en kuiltjes in de wangen. Over de lieve grappige receptioniste van toerisme in Sainte-Croix die haar collega-politieagent even wegstuurt om mij snel op de kaart aan te duiden waar ik kan wildkamperen. Ook smaakvol is hoe de Zwitsers hun lieflijke pasteldorpen inrichten, oude gebouwen nieuw leven inblazen en de rest van hun architectuur afstemmen op hun Toblerone. 

Reflectie van goud

En Zwitserland is rijk. Schatrijk. Ik zou een blog kunnen volschrijven over de reflectie van al het goud van Lausanne in de diepe regenplassen waar ik op mijn vrije regendag door loop. Over het walgelijk decadente Montreux met haar tientallen onbetaalbare luxehotels die allemaal zo exclusief zijn dat geen één het nog echt is. Hun serafijnen torenpunten prikken diepe gaten in de wolken zodat je er het meer van Genève kunt bekijken vanuit goddelijk perspectief. Maar vanuit de allerduurste torenkamers alleen maar een dicht wolkendek ziet.

Dus heb het liever over Veronika uit Bulgarije, die een verrassend lichte rugzak draagt met daarin al haar bezittingen. Zij stapt, lift en spoort stukken van de route tot ze in Italië een plek heeft gevonden waar ze zich goed voelt. Zo goed dat ze er een nieuw leven kan beginnen. Haar droom is een ecologische groententuin te kweken, met kippen en een varken, en een waterput om een verdwaalde dorstige pelgrim gelukkig te maken. Ze is net voorbij de dertig.

Thaïs trok drie jaar geleden met haar man en drie zoontjes van Compostela naar Le-Puy-en-Velay. Op een koppige ezel. Haar man bleek nog koppiger: na een dikke week stappen en zijn tiende woedeaanval verliet hij zijn gezin. Voorgoed. Zij zette door en vervolgde haar tocht met haar kinderen. Zelfs de ezel kwam gezond aan. Om haar grote huis af te betalen, geeft ze onderdak aan pelgrims, voor een vrijwillige bijdrage. In haar zolder liggen vijftien matrassen naast elkaar, ik mag kiezen welke ik wil. Dat de drie zoontjes ‘s nachts één na één naast mij komen liggen, is eerst verrassend maar wel opgewekt  opstaan.

Aan de trappen van de Migros-supermarkt eet ik tegen sluitingstijd mijn pompelmoes. Donatello komt naast mij zitten, hij wilt geen partje. Hij wilt meloenen, zegt hij, enkel die van Angela. Ik grijns, hij legt uit. Angela is kassierster in de winkel. Haar twee meloenen liggen niet bij het fruit maar onder haar propere witte hemd. Hij schrijft haar elke week berichtjes, zij schrijft hem nooit iets terug. Misschien moet hij maar eens op zoek naar ander fruit, probeer ik. Slechte tip, zo blijkt. Hij begint een hele litanie in het fel Italiaans, waar ik niets van begrijp. Plots stopt hij, wanneer de meloenen samen met Angela de schuifdeur uitkomen en resoluut de andere trap kiezen. Tien treden verder belanden ze samen in de armen van een man die ze theatraal op de mond kust. 

De zon lacht de tanden van het gebergte bloot, daar trek ik dadelijk naartoe. Nog drie dagen scheiden mij van de top van de Grand Saint-Bernard, een klim waar ik vandaag aan begin. Wordt dit het hoogtepunt van mijn reis? In hoogtemeters alvast wel.  Ik heb er verdomd veel zin in.