Ode #3 – Vladimir Poetin

Als kleuter al hoorde hij het liefst ridderverhalen voorlezen. Van die echte waarin de held zijn gouden zwaard neerploft in de machtige buik van de enorme draak. Later als ik groot ben, nam hij zich voor, word ik ook ridder. Nee, tsaar. De redder van het land.

Helaas voor hem werd hij nooit erg groot. Objectief gezien zelfs bleef hij wat klein. En ook het monster liet op zich wachten. Dus sprong hij op een ochtend over de haag en daagde zijn buurjongen uit. Jij bent de draak, riep hij fel, en hij prikte zijn wapen dreigend in de lucht. Hij had zijn zwaard zelf in elkaar geknutseld met twee houten latjes en een scheve spijker.

Spelletjes vervelen wanneer je ze niet wint. De draak viel niet neer en hij had al zo weinig geduld. Dus pakte hij zijn katapult en mikte kiezels naar de overkant van de straat. Hij raakte pardoes een voorbijganger in het oog. Auw, sprak die, dat doet pijn. Dat vond de jongen leuk. Dus hij spande opnieuw, mikte en schoot wild in het rond. Op iedereen, op alles, op al wie ogen had.

Wanneer alle kiezels op waren, kroop hij over de heg weer naar huis. Trots om iedereen te vertellen hoe vaak hij wel raak had geschoten. Thuis was er niemand. Al zijn vroegere vrienden hadden ogen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top