A cake’s no good if you don’t mix the batter and bake it.
And love’s just a bubble if you don’t take the trouble to make it.

Je maakt geen pastadeeg zonder eieren te breken: de mooiste plekjes van Noord-Italië betaal je cash, met liters zweet, stramme spieren en zere voeten. Een eerlijke prijs: de pittige beklimming van de Passo della Cisa met daarna de smalle zandweg over het groene zadeldak van de Apennijnen behoort tot de allermooiste stukken van de Via Francigena in Italië.

Na de avontuurlijke afdaling door het herfstige loofbos, langs lieflijke kapelletjes en een aftellende reeks stenen kruisbeelden, bereik je via een hobbelige Romeinse heirbaan het pittoreske Pontremoli. De kathedraal klokt vier uur in de hete middagzon wanneer ik het klooster binnenstap om er naar een bed te vragen. Mijn lijf snakt naar een douche, mijn kleren naar een bad, mijn maag naar een stevige maaltijd.

Mijn handschrift op het registratieformulier evoceert bij de zuster een heuse religieuze ervaring. Ze roept ‘oh my god’ wanneer ze de kleine hoofdletters ziet en promoveert me prompt tot kunstenaar. En wellicht ben ik ook muzikant? Gitaar, beken ik, en ze begint verheugd voor mij te zingen. Uit volle borst, voor heel de gang, meer dan tien minuten lang. Indrukwekkende stukken opera, de Casta Diva, een volledig vers Gregoriaans en het refrein van een Napolitaans volkslied. Haar hoge stem past uitstekend bij de jonge ogen waarmee ze me bij het zingen indringend aankijkt. Het is een magisch moment.

‘En nu is het aan jou, ragazzo!’ Ik lach onwennig, maar ze meent het. Uit respect schuif ik mijn gêne opzij, haal mijn zangstem uit mijn rood-wit geblokt ruitjeshemd, schuif mijn hoed op mijn hoofd en trakteer haar enthousiast op de eerste verzen en het refrein van ‘Time’s a-wasting’, dat al enkele dagen in mijn hoofd zindert. Zo galmt op een hete maandagnamiddag een Belgische Johnny Cash door de akoestisch versterkte kloostergang. De zuster knikt me goedkeurend toe, kirt ‘bravo bravo’, kust galant mijn rechterhand en viert het moment door een extra stukje Bach in te zetten.

Gouden oudjes

Dit is niet de eerste kus vandaag. Eerder op de dag stap ik door het natuurstenen berggehucht Groppoli. Daar mis ik de afslag naar de dalende tuintreden door de bosjes rozemarijn, die naar het Romaanse bruggetje over de bijna droge rivier leiden. Nietsvermoedend loop ik gezwind de enige straat verder door, knal de verkeerde richting uit. Een oplettend oudje ziet de domme pelgrim voorbij haar open deur trekken, stapt haar huis uit, roept me na en wijst me de juiste weg. Bij het afscheid zegent ze me met een kruisje op mijn voorhoofd, een kus op de linkerwang en één op de rechter, en daarna drukt ze droog een extra kus op mijn lippen.

Ik beken. Ook al versta ik hen zelden, ik heb een zwak voor Italianen. Ze spreken geen woord dat niet in hun Italiaanse woordenboek staat, maar krijgen wel altijd alles uitgelegd. Vertalen hun epicuristische levensfilosofie naar vuistdikke menukaarten, strooien daar parmiggiano over, noemen het la dolce vita en degusteren het met een grote karaf vino rosso die ze voortdurend bijvullen. Hebben ze een probleem, delen ze dat met heel de wereld op het terras en roken ze hun blues uit het lijf met tien sigaretten na elkaar. Stellen ze het goed, doen ze exact hetzelfde.

Ik hou ook van de brave senioren die de ostello’s beheren. Bejaarde vrijwilligers met te veel tijd die hun verantwoordelijkheid te serieus opvatten. Van de licht autistische huisbewaarder in Costamezzana die de twee enige huisregels minstens vijf keer dwangmatig herhaalt. Van de flamboyante signora iets verderop, die 79 jaar jong is en bij minstens dertig graden rondfladdert in een donkerroze satijnen feestkleed. Van haar slechtziende echtgenoot die in de donkere bibliotheek van het huis mijn credenziale afstempelt met zijn zonnebril op.

In de enige straat van Sivizzano waakt een gesloten kerk, daartegenaan leunt een gewelfd klooster waar de pelgrim kan overnachten. ‘Maar volgende keer op voorhand bellen’, wijst Elisabeth me terecht. Dan had ze kunnen vertellen dat het enige café in de buurt gesloten is, nu is er geen eten voor vanavond. Ook al kan ik best een avond zonder pasta of pizza, ze kan de gedachte van een lege maag niet aan. Een kwartier later komt ze de buitentrap af met 500 gram gedroogde pasta, drie tomaten, een bokaal rode pesto, een kom parmiggiano en wat look en basilicum. Een pelgrim mag geen honger lijden, knipoogt ze.

MacGyver van Compostela

MacGyver lijkt niet eens op die van op tv. Ik zie hem voor het eerst wanneer ik mijn kamer binnenstap. Hij zit op het onderste bed van een stapelbed, met zijn rug naar me toe. Het hele bed heeft hij omgevormd tot een kleurrijke tweedehands boetiek, met drie paar hangende sokken, dure sportieve merkkledij aan aparte kleerhangers, een uitgewrongen handdoek en zelfs een stuk tentzeil. Zonder zich om te draaien vertelt hij hoe graag hij kampeert, hoeveel zijn rugzak weegt en hoeveel pelgrimstochten hij al heeft afgewerkt. Ondertussen wrijft hij zijn benen in met een balsem die ik twee verdiepingen lager al rook.

Er is ook een oude Bretoen in de kamer, met een hardvochtig gezicht, getekend door de zeewind. Hij groet mij kort en beleefd, zet zijn reisgids opzij, staat op van zijn bed. Stapt naar het midden van de kamer en trekt daar al zijn kleren uit, ook zijn boxershort. Poedelnaakt drapeert hij alles zorgvuldig op de leuning van een stoel en kruipt dan in zijn slaapzak. 

Dit zijn de Compostela-pelgrims. De échte, die op elke tocht hun normen en zeden verder uitpuren. Die geen jaar overleven zonder blaren en Spaans grind onder hun schoenen. Ze hebben nog net geen tattoo van een basiliek op hun borst, alle andere clichés kloppen wel. De verstelbare wandelstokken, de afritsbare broeken, de stinkende tubes zalf voor de voeten. Het nachtelijke gekras van IKEA-potlood in kleine notitieboekjes, het oneindige geritsel in de rugzakken, de bungelende hoofdlampjes om hun nek. Ze vinden als eerste het stopcontact in elke kamer en weten tot op de komma precies hoeveel kilometer ze elk jaar en elke dag hebben gestapt. Hebben anekdotes over élk Spaans gehucht en geven ongevraagd advies over het beste schoeisel, mocht je plots van schoenen willen veranderen.

De glimlach van Tony

Tony heeft een guitige, gelukzalige glimlach op zijn gezicht. Misschien omdat hij als enige snurker in de kamer goed sliep vannacht? Nee, het is omdat hij zijn bestemming in zijn leven heeft gevonden. De zoektocht heeft lang geduurd. Als 16-jarige begon hij als arbeider in een stinkende fabriek, een jaar later maakte hij ruzie met de algemeen directeur, op zijn achttien richtte hij er een vakbond op.

Tien jaar lang probeerde hij het leven te leiden zoals het hoort. Huis, tuin, vrouw en vast werk. Op zijn 27e verbrandde hij de handleiding van het leven, liet zijn haar groeien en begon te dwalen. Jaren zwierf hij als vagebond door de straten van Noord-Frankrijk, op zijn 34e vond hij onderdak in een klooster. Vijf katholieke kloosters later wees een monnik hem de weg naar het boeddhisme. Daar vond Tony eindelijk zijn glimlach en zijn rust.

Intussen is hij twintig jaar boeddhistisch monnik. Hij financiert zijn pelgrimstochten met zijn bescheiden pensioen van 450 euro, en stapt niet meer voor zichzelf maar voor de wereld. Want zo zijn de boeddhisten wel. Zijn tocht is er één voor alle mensen die de luxe niet hebben om naar Rome, Compostela, Jeruzalem of Assisi te stappen. Hij brandt de kaarsjes op de heilige plaatsen, voor het geluk van iedereen. Enkel zijn blaren houdt hij voor zichzelf.

Hartelijk gefotografeerd

Op zo’n dikke 1.800 kilometer wandelen van Toscane blinkt de gezellige Academie van Hoboken. Net voor ik begin juli mijn voordeur achter me dichttrok, schreef ik me in voor mijn tweede en laatste specialisatiejaar fotografie. Mijn finale eindwerk baseer ik op mijn tocht.

Maar dat wordt nog een hele uitdaging. Want twee maanden en half stappen heeft me nog altijd geen helder concept opgeleverd. Ook al heb ik mijn Lumix LX100 ll – een vinnige Leica in een comfortabele Panasonic-body – vaak bovengehaald, ik stoot elke dag opnieuw op de grenzen van de fotografie. Hoe moeilijk, zelfs onmogelijk, het is om de volle intensiteit van het moment te vatten in één beeld. Een foto mist de geur van gesmolten zonnemelk, plukrijpe vijgen en droge rozemarijn, het getsjirp van krekels of de mystieke stilte van een donkere Romaanse kapel. Het heldere geklater van een bergrivier, de vrije weidsheid van de bergen, de veranderende kleuren van afgebladderde pastelmuren onder de opklimmende zon. Een foto is een beeld, geen ervaring.

Welke foto’s vertellen mijn verhaal, welk verhaal wil ik precies vertellen? Waar plaats ik het begin, hoe vlecht ik al die rode draden aan elkaar, komt er ooit een einde? Dat wordt me wellicht pas duidelijk binnen enkele maanden, wanneer de realiteit me weer heeft ingehaald. Nu is het te vroeg, ik zit nog middenin de roes. De vrijheid kleeft aan mijn wandelende lijf, ik stap halve verhalen binnen, snuif het aroma op, puzzel woord en beeld en klank aan elkaar. En nog voor iedereen lang en gelukkig leeft, ben ik een ander hoofdstuk binnengestapt.

Een apart projectje dat wel aardig lukt, is mijn ‘objectief’ beelddagboek. Elke dag laat ik mijn wekker aflopen om 10u en 15u stipt. Op die twee momenten maak ik een foto met mijn iPhone. Honderd dagen stappen levert tweehonderd beelden op, ingegeven door toeval in plaats van esthetiek. Ook al blijft het arbitrair, het geheel geeft een wellicht iets objectievere weergave van mijn tocht. Met tussen de mooie landschappen ook lelijke parkeerplaatsen en saaie stukken veld, asfalt in Italië, de douche van een camping of een plastieken tafel op een verlaten terras. Ook dát is de cammino.

Thalassa, thalassa!

Hoog in de bergen zag ik vandaag voor het eerst de zee. Een zachte blauwe strook in de zinderende verte, die subtiel wijst op het einde van de klimdagen in de Apennijnen. Komende dagen verken ik het Toscane van de olijfbomen en de hellende wijngaarden. Zo trek ik langzaam naar de kerken van Lucca, de torens van San Gimigniano en de gelato’s van Siena. Ook al wil ik er nog niet aan denken, Rome komt plots heel dichtbij… 

De klokken tellen traag tot tien, ik sluit het raam waar op de vensterbank mijn wandelsokken doen denken aan een ovenverse pizza quattro formaggi. Boven de olijfbomen tel ik de eerste duizend sterren. De volgende duizend hou ik voor de schapen die ik dadelijk in mijn slaapzak over wijnranken zal zien springen. Buona notte, bella Toscana, a domani!