Ik vond het ouderwets gebrilde oude vrouwtje meteen sympathiek maar niet heel snugger. Sympathiek omdat haar bedrukte gezicht mooi opklaarde toen ik antwoordde dat ik inderdaad Frans sprak. Minder snugger omdat ze had kunnen weten dat ik ‘niet van hier ben’. Wandelaars met bergschoenen, zwaar bepakte rugzak en lederen cowboyhoed zijn zelden van hier. Maar ze zijn wel goed uitgerust: de navigatie-apps op mijn iPhone hielpen het verdwaalde oudje netjes het bos uit.

Zo besefte ik dat ik ongemerkt de taalgrens was overgestoken. Daar ergens tussen die oude eiken in het Meerdaalwoud, op de weg van Leuven naar Beauvechain. Van hier af kraait de haan enthousiast cocorico in plaats van kukeleku. Komende twee maanden beleef ik in de taal van Molière. Misschien begint hier mijn avontuur pas echt, op dag 3 van mijn lange weg naar Rome.

Na de adrenaline

De eerste drie dagen wandel je op adrenaline. Dat hadden ze me op voorhand verteld. Alles is nieuw. Je voeten doen nog niet pijn, de striemen op je schouders zijn er nog niet. Nog geen blauwe plekken op je heupen, geen tintelende voetzolen vol eelt, je mankt ‘s avonds nog niet als een kreupele wanneer je je slaapzak opzoekt. De eerste drie dagen zijn heerlijk.

Het voelde minder raar dan ik had verwacht. Mijn rugzak aantrekken, de voordeur dichtslaan, nog even een knuffel scoren bij de buren en gewoon vertrekken. De straat uit, het park uit, het dorp uit, het onbekende in. Nu ja, onbekend. Aartselaar, Reet, Rumst, Mechelen: hier en daar piept misschien een plompverloren palmboom over een heg, maar echt exotisch is het allemaal niet voor wie een boogscheut verder woont.

Buxus en coniferen

Wel verandert de wereld wanneer je die te voet benadert, zo langzaam dat je alle details aandachtig in je kunt opnemen. Dan beginnen al die lelijke Vlaamse voortuintjes plots echt te leven. De afgeschilferde tuinkabouter met zijn kruiwagen blijkt op weg naar een blote vrouw aan de rand van het perk, de rotspartij aan de fontein leidt via gespikkelde kiezels naar het goedkope kraantje van de magie. Bucolisch existentialisme. De zware witte marmeren Venus heeft een rotkarakter. Of is gewoon te corpulent om op te heffen zodat de eigenaar het wapperende stuk inpakfolie tussen beeld en sokkel maar zo liet.

Buxus en coniferen: ze zijn zo lelijk en fout en juist daarom hou ik van die kneuterige Vlaamse voortuinen. Pijnlijk zorgvuldig getrimde hagen rond enkele vierkante meters gazon, afgeprijsde mythologie en opgedroogde zeemeerminnen tussen vreemde botanische experimenten. Het getuigt altijd opnieuw van een verrassend slechte smaak, maar vervelen doet het nooit. Een netjes onderhouden perkje is saai, de mislukking van goede bedoelingen op een tapijt van vers gesproeid gras is veel interessanter. Als wij ons imago van Belgische surrealisten nog érgens uitspelen, doen we dat het best in onze voortuintjes.

Levenslang 

‘Mag ik iets vragen, mijnheer?’ Ik sta aan de vijver van de Mechelse Kruidtuin, de laatste kilometer van mijn eerste etappe. Mijn grote rugzak valt Marius op: stap ik misschien naar Compostela? Want hij trok er zelf naartoe en is net twee weken terug. Vertelt hij trots. Zijn ogen blinken, zijn glimlach is aanstekelijk, hij straalt. Maar waarom stapt iemand van zestien zo’n fysiek en mentaal zware tocht? ‘Het was de Camino of levenslang.’

Dankzij zijn expeditie en doorzettingsvermogen is Marius nu levenslang vrij. Hij kreeg een nieuwe kans van de jeugdrechter, maar zorgde wel volledig zelf voor zijn succes. Twee maanden rondtrekken met een fucking zware rugzak van 20 kilo is de beste mentale therapie. Zwaar, lastig en confronterend, maar achteraf kun je wel alles aan: elke nieuwe dag zonder rugzak en stapschoenen is een makkelijke. Er is een leven vóór en een leven ná de Camino. Ervoor had Marius geen toekomst, het leven erna is er één met een grote glimlach. Respect. Blij dat ik Marius mocht tegenkomen op mijn allereerste dag.

Quality time

Zonder het echt te hebben voorzien, blijkt mijn eerste stapweek er één van quality time met vrienden en familie. Mijn eerste zetel krijg ik bij mijn zusje, twee dagen later stap ik een hele voormiddag met grote broer. Ik scoor drie koffies in de indrukwekkende woning van Kevin en Inge, en krijg er inspirerend gezelschap van Seb en Vanessa bij. In Kessel-Lo leent Minne mij haar master bedroom uit, aan de oevers van de Maas trakteert mijn tante mij op een gastronomische maaltijd en een bed met uitzicht op de Citadel van Namen. 

Veertig jaar lang vond ik de textuur van sushi gewoon walgelijk, met Christelle en Éric erbij blijkt die Japanse keuken verrassend mee te vallen. Ik bemachtig een pittoresk plekje voor mijn tent in de bloementuin van de grootste herenboerderij van heel Perwez. En in Dinant krijg ik in een krakend herenhuis een nostalgische jongenskamer die niet meer veranderd is sinds begin jaren 90.

Het is donker in mijn tent, de zangvogeltjes in de haag zingen hun avondlied. Ik laat mijn oordopjes in mijn zijzak. Dit is de soundtrack van de kampeerder, pelgrim of gewoon de vrije mens. Het is er één om blij van te worden. Ook al is de weg nog lang en heb ik eigenlijk geen duidelijk antwoord op waarom ik deze tocht precies stap, het voelt gewoon heerlijk. En misschien is dat wel goed genoeg. Mijn proloog is goed gestart, ik kijk uit naar wat komende weken nog allemaal voor mij in petto hebben.