Je komt op het juiste moment, grapt de taxichauffeur die mij oppikt aan de luchthaven. We zijn vandaag niet in oorlog. Dat doen we slechts om de vijftig jaar, de laatste is nu al twintig jaar voorbij. Ik kom voor de vrede, zeg ik, geïntrigeerd in hoe ze die hier proberen bewaren, zoveel botsende identiteiten door elkaar. Hij: kan je dan nog dertig jaar blijven?

*

De vogel is gaan vliegen, even ver weg, strijkt neer in Sarajevo en komt daar tot rust. Vliegt hoog boven de vallei heen, over de kapotgeschoten ruïnes, de lelijke communistische blokken en de commerciële nieuwbouwprojecten. Landt op een oud gietijzeren tafeltje onder de pergola, tafelkleed met roodgeruite Bosnische patronen, kleurrijke planten in aarden potten. Vliegt dan weer verder, doorheen open ramen van okerkleurige gebouwen, in retro keukens vol vette dampwolken van gebakken cevapcici en de afzuigkap doet het niet goed meer. Snuift de aroma’s op van trage Turkse koffie, vliegt dwars door een dichte groep schurftige duiven op het oude marktplein, ontwaart op de gevels de zachte pasteltinten tussen de kogelgaten door, hoort de kakafonie aan gezangen van de muezzins op de minaretten, alles door elkaar, is weg van de wereld, is er diep binnenin.

*

Say perhaps to drugs. Suggereren de graffiti op de oude communistische blokken. Uit veel open ramen ontsnapt inderdaad een bekende geur. Wiet. Het klopt met de gaten van het gebouw, die ze nooit laten herstellen. Het klopt met de baardmannen die te zoete muntthee slurpen uit kleine glaasjes. Het klopt met de wat guur ogende achterbuurt waar rode en vaalgele Skoda’s met blutsen kriskras door elkaar staan geparkeerd en aan waslijnen propere was hangt te drogen. Het klopt zelfs met de puberende pukkelkop die stuntelig voorbij struint, zijn arm gehaakt in die van een blondine die minstens een kop groter is dan hem.

*

Het gras is altijd groener aan de overkant, hier groeit het gras tussen zware blokken gewapend beton. Het schudt de giftige graffiti van zich af en perst zich door de kleinste spleetjes van het gebroken asfalt: het kleine overwint altijd het grote.

*

Vreemd dat in zo’n stad waar om de halve eeuw de oorlog uitbreekt, het leven schijnbaar harmonieus verloopt. Allerlei culturen krioelen door elkaar, de synagoog en kathedraal vriendelijk omringd door verschillende moskeeën. Hoofddoeken naast zomerjurken, lange baarden naast kostuum en lobberende trainingsbroek. En iedereen heeft zijn eigen verhaal, die ze vaak met veel gebaren aan elkaar vertellen in een taal die ik niet versta.

*

De modepoppen in de etalages hebben allemaal stijve tepels. De echte vrouwen op straat spelen hun anatomische troeven wat subtieler uit, maar zoveel discretie is slechts schijn. De jongedames zijn duidelijk niet vies van de mannelijke aandacht die ze oogsten. Ranke vrouwenhanden strijken door hun wapperende haren, hoge lachjes kirren net iets te luid, overal leunen kortgeknipte jeansbroeken nonchalant tegen bakstenen muren. En dan heb je de ongeschoren Bosnische venten die proberen hun cool te bewaren, achteloos sigaretten rollen en roken en rollen en roken, en tussendoor toch weer telkens achterom kijken.

*

Als student had ik drie posters van Salma Hayek in mijn kot hangen. Drie dezelfde. Gratis uit de H&M. Zelfs haar naam vond ik mooi. Salma. Iets als een zalm met een ziel maar dan poëtischer. Ook de tweede Salma in mijn leven kan zo op een poster. In het tafelkleed van het restaurant zijn twee grote bruine vlekken, zij is maagdelijk schoon. Ze vraagt wat ik drinken wil en of ik ook graag iets eet en ik ben blij dat ik twee keer positief kan antwoorden. Ik fantaseer dat ze op de rekening haar gsm-nummer meegeeft maar ze houdt het bij een glimlach en een smiley op de nota.

*

De oude bobsleebaan van de Olympische Winterspelen uit 1984 is de grens over. Het is nu een door onkruid overgroeid wandelpad geworden, het grijs ondergespoten in felle kleuren graffiti. Op weg ernaartoe slingert de taxichauffeur zijn oude Skoda de berghelling op en hij zet mij achteraf niet eens in het zak. Hij spreekt geen Engels, ik geen Bosnisch. Om met elkaar te praten belt hij met zijn gsm een collega op die mijn Engels doorvertaalt. Wanneer hij het heeft begrepen, klopt hij met zijn hand steeds enthousiast op mijn knie.

*

Met de trein naar Mostar. Gratis wifi in elke wagon, die enkel af en toe uitvalt wanneer de trein zich doorheen rotstunnels boort. De western die wordt gestreamd op kleine schermpjes valt dan ook altijd even stil. Een bandiet die nét niet door kogels doorzeefd wordt, het heeft bijna iets poëtisch. Mostar heeft minder oorlogswonden in haar gebouwen dan Sarajevo, maar daarom niet minder in haar mensen. Nadjad excuseert zich dat hij na de koffie geen hand kan schudden. Want hij heeft geen handen meer, laat staan armen. Beetje sarcastische humor, vind ik, maar misschien is dat wel zijn manier om met zijn trauma om te gaan.

*

Cevapi is een half pitabrood met cevapcici, kleine worstjes, geserveerd met glazig-rauwe ajuinsnippers. Het is de klassieker op de kaart, het enige gerecht ook, en de Bosniërs houden van hun klassiekers. Vanaf een jaar of veertig gaan alle mannenbuiken hangen en worden de t-shirts die ze dragen wat te krap. Zo ijdel de vrouwen, zo nonchalant de mannen. Veel trainingsbroeken, goedkope floddershirts en daaronder – voor de schijn – sportschoenen. Het aantal mensen dat ik op een kleine week tijd heb zien joggen: nul.

*

Please sir, only cash. No card. Bij Ars Aevis, het depot van het toekomstige museum voor hedendaagse kunst, kennen ze de ICOM-museumkaart niet. Kom je daarmee elk erkend museum in heel de wereld gratis binnen, denken ze in Sarajevo dat het een betaalkaart is. Voor 3 KM, anderhalve euro, wandel je als enige bezoeker van de week doorheen het depot. Daar liggen de collecties in bewaring tot ze een mooiere plaats krijgen. Het initiatief voor het museum kwam in 1992, tegelijkertijd met de start van de oorlog, of zo wordt het verhaal toch verteld. In afwachting kan je de topstukken al bezichtigen. Die staan geëtaleerd op de paletten en kisten waarin ze vervoerd werden. Grappig om zo’n verdwijngat van Anish Kapoor in een houten omkisting te zien in plaats van ingebouwd in een muur. Foto’s van Nan Goldin nonchalant tegen elkaar, tientallen olieflessen van Joseph Beuys op een plastieken tafel, zelfs vellen getekend papier gewoon op de grond… Ik ken erfgoedbeheerders die voor minder spontaan zouden flauwvallen.

*

Overal auto’s. De vierwieler is hier keizer, koning of president. Een enkele fiets laveert zich doorheen het verkeer, voor de voetgangers is het nóg avontuurlijker. Voetpaden van een halve meter breed waar de auto’s aan volle snelheid langs zoeven. Zebrapaden waarbij je, wanneer het groen is, moet spurten om tijdig de overkant van de weg te halen voor het terug rood is. Dat lukt gemiddeld één keer op twee. Het houdt je alert, zegt een oude Bosniër die de overkant net heeft gehaald en het zweet van zijn voorhoofd veegt.

*

Misschien zijn het de schotwonden die je overal ziet. De nonchalance waarmee iedereen zijn auto parkeert waar er ook maar een stukje grond vrij is. Misschien zijn het de drie presidenten die simultaan regeren en waarvan niemand de namen kent. Misschien is het het Arabische koffiehuis naast de westerse supermarkt Konzum. Misschien is het dat ze weten dat na elke oorlog wel weer vrede komt, in welke vorm dan ook. En gewoon proberen hun eigen leven zo zinvol mogelijk in te vullen, zonder zich van de rest al te veel aan te trekken. Sarajevo is een lesje in relativering.